Storingscodes, ook wel faalcodes, zijn vaste codes waarmee je bij elke storing vastlegt wat er misging, hoe het gebeurde, waarom, en wat je eraan deed. Met vrije tekst als "pomp kapot" kun je storingen niet tellen of vergelijken; met codes voor faalwijze, faalmechanisme, faaloorzaak en actie wel. De internationale norm ISO 14224 geeft daarvoor een uitgewerkt kader, met per type uitrusting een vaste lijst faalwijzen, en is ook buiten de olie- en gasindustrie een bruikbare referentie.
Waarom vrije tekst niet werkt
Open de afgemelde werkorders van een willekeurig pompenpark en je vindt omschrijvingen als "pomp kapot", "lekt", "doet het niet", "seal vervangen" en "zie vorige bon". Voor de monteur die de klus deed, zegt dat genoeg. Voor wie een jaar later wil weten welke faalwijze de meeste stilstand veroorzaakt, is het onbruikbaar.
Vrije tekst heeft drie problemen:
- Dezelfde storing krijgt tien omschrijvingen, met tikfouten en afkortingen. Zoeken en tellen lukt dan niet.
- Waarneming, proces en oorzaak lopen door elkaar, of de helft ontbreekt. "Lager kapot" zegt niet of de pomp trilde, stilviel of warm liep, en ook niet waarom het lager bezweek.
- De tekst beschrijft vooral wat er gedaan is, zoals "seal vervangen", en niet wat er mis was.
Een vraag als "hoe vaak lekte vorig jaar een asafdichting op de koelwaterpompen, en waardoor?" kun je met vrije tekst niet beantwoorden. Juist dat is de vraag die tot een verbetering leidt. Codes lossen dat op, mits je ze goed opzet: een beperkte lijst, met definities, die bij het afmelden van elke correctieve werkorder wordt ingevuld. De vrije tekst blijft bestaan voor het verhaal; de codes maken het telbaar.
De codeketen: wat je per storing vastlegt
Een bruikbare storingsregistratie volgt een vaste keten, waarin elke schakel een eigen vraag beantwoordt:
- Asset: aan welke asset, en zo nodig welk onderdeel, trad het falen op? Dit is de koppeling met je assetregister.
- Faalwijze: de manier waarop het falen zich voordoet, oftewel wat je waarneemt: de pomp start niet, lekt naar buiten of levert te weinig. De IEC definieert in haar internationale woordenlijst de faalwijze als de manier waarop falen optreedt, en ISO 14224 neemt die definitie over.
- Faalmechanisme: het proces dat tot het falen leidt. Dat kan fysisch, chemisch of logisch zijn: slijtage, corrosie, vermoeiing, verstopping, een softwarefout.
- Faaloorzaak: de omstandigheden die tot het falen leidden. Volgens de IEC-definitie van faaloorzaak kan een oorzaak ontstaan in elke fase: specificatie, ontwerp, fabricage, installatie, bedrijfsvoering of onderhoud. ISO 14224 gebruikt voor de faaloorzaak ook de term root cause.
- Detectiemethode: hoe het falen werd ontdekt. ISO 14224 onderscheidt tien categorieën, van periodiek onderhoud, functietest en inspectie tot conditiebewaking, productieverstoring en waarneming door de operator (casual observation).
- Actie: wat je eraan deed, zoals vervangen, repareren, afstellen of aanpassen.
Het schema hieronder volgt één storing aan koelwaterpomp P-201 door de keten.
Let op de volgorde. De lekkage is wat de operator tijdens de ronde zag, de versleten sealvlakken zijn wat de monteur bij demontage vond, en de droogloop bij het opstarten is waarom het gebeurde. Wie alleen "seal vervangen" noteert, legt de actie vast en verliest de rest. De actie bestaat hier bovendien uit twee delen: de reparatie en een maatregel tegen de oorzaak. Zonder die tweede regel komt dezelfde storing terug.
Eén woord, twee betekenissen
In RCM- en FMECA-analyses ligt een faalwijze vaak dichter bij de oorzaak; in het artikel over RCM is "de waaier slijt" de faalwijze van een pomp. In een storingsregistratie werkt het beter om de faalwijze te houden bij wat je op het niveau van de asset waarneemt ("te lage opbrengst"), en de versleten waaier vast te leggen als onderdeel en mechanisme. Beide gebruiken zijn verdedigbaar. Spreek binnen je organisatie één betekenis af, anders meten twee afdelingen langs elkaar heen.
ISO 14224 in het kort
ISO 14224 is de internationale norm voor het verzamelen en uitwisselen van betrouwbaarheids- en onderhoudsgegevens van uitrusting. Hij is geschreven voor de aardolie-, aardgas- en petrochemische industrie en beslaat de hele gebruiksfase van uitrusting. De huidige, derde editie is van 2016 en werd in 2022 opnieuw bevestigd. Volgens de norm zelf vormen de begrippen en definities samen een gemeenschappelijke betrouwbaarheidstaal om bedrijfservaring uit te wisselen, en kun je de faalwijzen gebruiken als een betrouwbaarheidsthesaurus.
De norm onderscheidt drie soorten gegevens: uitrustingsgegevens (zoals de taxonomie en technische kenmerken), storingsgegevens (zoals oorzaak en gevolg) en onderhoudsgegevens (zoals de uitgevoerde actie, de ingezette middelen en de stilstand). Gegevens over directe kosten vallen er uitdrukkelijk buiten.
Taxonomie: van industrie tot onderdeel
De norm ordent uitrusting in een taxonomie van negen niveaus. De bovenste niveaus beschrijven gebruik en locatie, van industrie tot installatie en systeem. Vanaf niveau 6 gaat het over de uitrusting zelf: de uitrustingseenheid (equipment unit), bijvoorbeeld één pomp, en daaronder subeenheden, onderhoudbare items en onderdelen. Gelijksoortige eenheden vormen samen een uitrustingsklasse, zoals alle pompen.
Faalwijzen per uitrustingsklasse
Voor elke uitrustingsklasse geeft de norm een eigen lijst faalwijzen, met per faalwijze een vaste afkorting. Faalmechanismen en faaloorzaken zijn daarentegen algemene lijsten die voor alle klassen gelden. Dat is een logische verdeling: wat je waarneemt, verschilt per type uitrusting (een klep opent niet, een motor start niet), maar slijtage en corrosie zijn overal hetzelfde. Daarnaast deelt de norm storingen in naar ernst: kritiek (de functie valt direct weg), gedegradeerd (de functie werkt nog, maar minder goed) of beginnend (een gebrek dat zonder ingrijpen kan uitgroeien tot een echte storing).
Ook buiten olie en gas bruikbaar
Veel uitrusting uit de olie- en gaswereld, zoals pompen, draait ook in een afvalenergiecentrale, een fabriek of een distributiecentrum. Daar kun je de faalwijzen uit de norm direct gebruiken. Voor uitrusting die de norm niet kent, zoals een verbrandingsrooster, stel je een eigen lijst op volgens dezelfde principes: faalwijze, mechanisme en oorzaak gescheiden, en per klasse een beperkt aantal faalwijzen.
Zelf een codeset opzetten in 7 stappen
- Begin bij de assettypes die ertoe doen. Kies de typen met de meeste storingen of de hoogste kritikaliteit; hoe je die bepaalt, staat in het artikel over kritikaliteitsanalyse. Eén goed werkende lijst voor pompen leert je meer dan een halve lijst voor alles.
- Kies per assettype tien tot vijftien faalwijzen. Lees de afgemelde werkorders van de afgelopen één à twee jaar en groepeer wat er werkelijk voorkomt. Leg dat naast de lijst uit ISO 14224 voor die uitrustingsklasse, zodat je codes vergelijkbaar blijven met andere locaties en met algemene betrouwbaarheidsdata.
- Schrijf bij elke code een definitie met een voorbeeld. Eén zin wat het is, één voorbeeld en waar nodig wat het niet is. Bijvoorbeeld: externe lekkage van procesmedium is medium dat buiten de pomp komt; het gewenste druppelen van een pakkingbus valt er niet onder.
- Houd mechanisme, oorzaak en actie kort en algemeen. Gebruik voor alle assettypes dezelfde lijsten, met hoofdgroepen als mechanisch, materiaal, elektrisch, instrumentatie en externe invloed voor het mechanisme, en ontwerp, fabricage en installatie, bedrijfsvoering en onderhoud, en management (procedures, documentatie) voor de oorzaak.
- Maak de codes verplicht bij het afmelden van correctief werk. De monteur die de storing verhielp, kiest de codes bij het afmelden van de werkorder, uit keuzelijsten die op het assettype zijn gefilterd. Houd het snel: een handvol keuzes, geen tien verplichte velden.
- Houd "overig" klein en zoek het uit. Bekijk elke maand wat er onder overig is geboekt. Komt een omschrijving vaker terug, dan verdient die een eigen code.
- Train en onderhoud de lijst. Beleg het eigenaarschap bij één persoon, bijvoorbeeld de reliability engineer. Leg elke wijziging vast met datum en zet oude codes om naar nieuwe, zodat je trends niet breken, en loop de lijst jaarlijks door met de monteurs.
Voorbeeld: faalwijzen voor een centrifugaalpomp
Een deel van een startset voor centrifugaalpompen kan er zo uitzien. De indeling volgt het principe van ISO 14224, met waarneembare faalwijzen en het mechanisme apart. Wil je je gegevens vergelijken met andere locaties of met algemene betrouwbaarheidsdata, stem de namen dan af op de pompenlijst in de norm zelf.
| Faalwijze | Wat je ziet | Typisch mechanisme |
|---|---|---|
| Externe lekkage procesmedium | Medium lekt langs de asafdichting of het pomphuis | Slijtage van de sealvlakken, verharde O-ringen |
| Externe lekkage hulpmedium | Olie of koelwater lekt uit lagerhuis of leidingen | Versleten lagerafdichting, losgetrilde aansluiting |
| Te lage opbrengst | Debiet of persdruk blijft onder de eis | Slijtage van waaier of slijtringen, verstopping, cavitatie |
| Trilling | Hoger trillingsniveau of hoorbaar geluid | Lagerschade, onbalans, uitlijnfout |
| Oververhitting | Lagertemperatuur loopt op | Verhoogde wrijving door een verstoorde smeerfilm, lagerslijtage |
| Start niet | Pomp komt niet in bedrijf bij een startopdracht | Elektrische storing, vastgelopen rotor |
| Ongewenste stop | Pomp valt uit zonder stopopdracht | Overbelaste motor, foutief signaal van een beveiliging |
| Overig | Past in geen enkele code | Wordt maandelijks uitgezocht |
Van codes naar inzicht: Pareto, bad actors en analyse
Codes leveren pas iets op als je ze gebruikt. De eerste analyse is meestal een Pareto: zet per assettype de faalwijzen op volgorde van aantal, of beter nog van stilstandsuren, en kijk welke paar faalwijzen het grootste deel verklaren. In het voorbeeld hieronder zijn 80 storingen aan de koelwaterpompen van een chemische fabriek over twee jaar gecodeerd, verdeeld over zes faalwijzen en overig.
Externe lekkage van procesmedium staat met 26 storingen bovenaan. Samen met trilling (17) en te lage opbrengst (12) verklaart die 55 van de 80 storingen, ofwel 69 procent. Overig blijft met 4 storingen klein genoeg om erop te vertrouwen dat de codes werken.
Daarna ga je een laag dieper. Van de 26 lekkages hebben er 19 slijtage van de sealvlakken als mechanisme, en bij 14 daarvan is droogloop bij het opstarten als oorzaak vastgelegd. Dan weet je waar de verbetering zit: niet in een duurdere seal, maar in de opstartprocedure of een droogloopbeveiliging. Zo'n patroon is het startpunt voor een storingsanalyse naar de grondoorzaak.
Dezelfde gegevens voeden de rest van je betrouwbaarheidswerk:
- Bad actors. Tel per asset in plaats van per assettype, en de paar pompen die steeds terugkomen worden zichtbaar.
- MTBF per faalwijze. Met codes reken je de MTBF niet alleen per asset uit, maar ook per faalwijze. Dat zegt meer over waar het onderhoud moet veranderen.
- FMECA. Vastgelegde faalwijzen en hun frequentie toetsen de aannames in een FMECA. Faalwijzen die in de praktijk voorkomen maar in de analyse ontbreken, voeg je toe.
Zo'n Pareto bouw je met de storingsdata uit je onderhoudssysteem; hoe dat er in een dashboard uitziet, zie je bij dashboards.
Valkuilen bij storingscodes
- Te veel codes. Een keuzelijst van zestig faalwijzen leest niemand. De monteur kiest dan de eerste die ongeveer past.
- Overig als vuilnisbak. Zonder maandelijkse controle groeit overig uit tot de grootste categorie en weet je weer niets.
- De bovenste code in de lijst. Een keuzelijst met een standaardwaarde, of die altijd met dezelfde code begint, levert die code onevenredig vaak op. Filter op assettype en vul niets vooraf in.
- Faalwijze en oorzaak door elkaar. Wie "lagerschade" als faalwijze kiest en "slijtage" als oorzaak, legt twee keer het mechanisme vast en mist de echte oorzaak. Houd de keten aan: waarneming, proces, omstandigheid.
- Codes zonder uitleg. Zonder definities en voorbeelden leest elke monteur een code anders, en vergelijk je appels met peren tussen ploegen en locaties.
- Achteraf invullen. Codes die een planner een week later kiest op basis van een korte afmeldtekst, zijn gokwerk. Laat de monteur die de storing zag de codes kiezen.
- Data die niemand gebruikt. Als monteurs nooit zien wat er met hun codes gebeurt, wordt invullen een formaliteit. Laat de Pareto in het werkoverleg zien en vertel welke verbetering eruit voortkwam.
Veelgestelde vragen
Is een storingscode hetzelfde als de foutcode op het display van een machine?
Nee. Een foutcode op het display van een ketel, frequentieregelaar of besturing is een melding die de fabrikant heeft gedefinieerd; de betekenis staat in de handleiding. Een storingscode zoals in dit artikel leg je zelf vast bij het afmelden van een storing, om storingen te kunnen tellen en analyseren. De foutcode van het display is wel nuttige informatie bij het kiezen van de juiste faalwijze of het mechanisme.
Geldt ISO 14224 alleen voor de olie- en gasindustrie?
Formeel wel: het toepassingsgebied is de aardolie-, aardgas- en petrochemische industrie. Toch kun je de norm ook elders als referentie gebruiken, omdat veel uitrustingsklassen erin overal voorkomen, zoals pompen, compressoren, elektromotoren, kleppen en warmtewisselaars. Voor die klassen neem je de faalwijzen over, zodat je gegevens vergelijkbaar blijven met andere locaties. Ontbreekt een klasse, zoals een verbrandingsrooster, dan maak je op dezelfde manier een eigen lijst.
Hoeveel storingscodes heb je nodig?
Houd als vuistregel tien tot vijftien faalwijzen per assettype aan, plus overig, en korte, algemene lijsten voor mechanisme, oorzaak en actie. Met minder faalwijzen worden de gegevens grof en groeit overig; met meer wordt kiezen traag en onbetrouwbaar. Begin met de assettypes die het meeste werk opleveren, kijk na een paar maanden wat er onder overig valt en breid alleen uit waar de gegevens daarom vragen.
Wie vult de storingscode in: de monteur of de planner?
De monteur die de storing heeft verholpen, want die heeft gezien wat er mis was. De faalwijze kan vaak al bij de melding worden gekozen door wie de storing ontdekte; mechanisme, oorzaak en actie volgen bij het afmelden. Laat een werkvoorbereider of reliability engineer de codes daarna steekproefsgewijs controleren, en corrigeer samen met de monteur in plaats van achteraf aan het bureau.
Is ISO 14224 gratis te downloaden?
Nee. ISO 14224 is een betaalde norm, te koop bij ISO en bij nationale normalisatie-instituten zoals NEN. Op de website van ISO kun je wel het toepassingsgebied lezen en via het Online Browsing Platform een preview bekijken. Op internet circuleren veel samenvattingen van de codelijsten; controleer codes altijd in de norm zelf voordat je er een bedrijfsbrede codeset op baseert.
