Een smeerplan legt per smeerpunt vast welk smeermiddel erin gaat, hoeveel, hoe vaak, op welke manier en door wie. Smeren is de onderhoudstaak die het vaakst terugkomt en het makkelijkst misgaat: te weinig, te veel, vervuild of het verkeerde vet. Een smeerplan opstellen betekent die keuzes één keer bewust maken en vastleggen, zodat iedereen elk punt op dezelfde manier smeert. Zo verklein je de kans op lagerschade, slijtage en ongeplande stilstand.
Wat een smeerplan is en waarom smering zoveel uitmaakt
Een smeerplan is het deel van het onderhoudsplan dat over smering gaat, uitgewerkt tot op het niveau van het smeerpunt. Waar het onderhoudsplan zegt "lagers nasmeren, elke 1.000 draaiuren", zegt het smeerplan welk lager, welk vet, hoeveel gram, met welke vetspuit en wie het doet.
Een smeermiddel houdt de oppervlakken die over elkaar rollen of glijden uit elkaar. Hoe goed dat lukt, bepaalt voor een groot deel hoe lang lagers, tandwielen en kettingen meegaan. Dat zit zelfs in de rekenmethode voor lagers: de levensduurberekening van ISO 281 neemt bij de aangepaste levensduur de smeringstoestand en de vervuiling van het smeermiddel expliciet mee. Vet speelt daarbij de hoofdrol: volgens de vetbranchevereniging NLGI wordt tot 90 procent van alle lagers met vet gesmeerd.
Gaat een lager toch kapot, dan helpt ISO 15243 om de schade te duiden: die norm beschrijft per schadebeeld de kenmerken en de mogelijke oorzaken. Met een storingsanalyse zoek je daarna uit of het smeerplan voor dat punt moet veranderen.
Een smeerplan opstellen gaat in vijf stappen:
- Smeerpunten inventariseren, nummeren en labelen.
- Per punt het juiste smeermiddel kiezen.
- Hoeveelheid en interval bepalen.
- De smeermethode kiezen.
- De uitvoering borgen met rondes, meldingen en een duidelijke rolverdeling.
Stap 1: smeerpunten inventariseren en herkenbaar maken
Loop elke machine na en geef elk smeerpunt een nummer dat aan de assetcode vastzit, bijvoorbeeld TB-03-4 voor smeerpunt 4 van transportband 3. Leg per punt vast wat het is (lager, tandwielkast, ketting, geleiding), waar het zit, met een foto, en hoe je erbij komt. Noteer ook de punten die bewust géén smering krijgen, zoals lagers die voor hun hele levensduur gesmeerd zijn of een elastische koppeling. Dan zet niemand er een smeernippel op en perst niemand er vet in.
Label elk punt met een kleur én een vorm per smeermiddel, en gebruik precies hetzelfde label op de vetspuit, de oliekan en de opslagplek. Dan zie je bij het punt zelf welk middel erin hoort. De combinatie van kleur en vorm werkt ook voor wie kleuren slecht onderscheidt.
Kijk daarna naar bereikbaarheid en veiligheid. Het Arbobesluit schrijft voor dat onderhoud gebeurt aan een arbeidsmiddel dat is uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos is gemaakt, en dat je anders doeltreffende maatregelen neemt (artikel 7.5). Bij nieuwe machines moet de fabrikant de onderhoudspunten buiten de gevarenzones plaatsen (Machinerichtlijn, bijlage I, punt 1.6.1). Zit een smeerpunt achter de afscherming, breng het dan met een verlengde smeerleiding naar een smeerblok erbuiten, of plaats een automatische smeerpot. Moet je toch achter de afscherming komen, zet de machine dan stil en volg de regels voor veilig onderhoud met LMRA en LOTO.
Stap 2: het juiste smeermiddel kiezen
Eerst de grote keuze: olie of vet. Vet blijft zitten waar je het aanbrengt en dicht het lager af tegen stof en vocht; daarom zijn de meeste lagers vetgesmeerd. Olie past waar warmte moet worden afgevoerd, bij hoge toerentallen, in tandwielkasten en in hydrauliek. Meestal schrijft de fabrikant de keuze al voor. Wat de specificatie op de verpakking betekent:
| Begrip | Wat het zegt | Voorbeeld |
|---|---|---|
| ISO VG | Viscositeitsklasse van olie bij 40 °C, ±10 % | ISO VG 220: 198–242 mm²/s |
| NLGI-klasse | Stijfheid van vet, van 000 (zeer zacht) tot 6 (zeer stijf) | NLGI 2: penetratie 265–295 |
| Basisolieviscositeit | Hoe dik de olie in het vet is | Staat los van de NLGI-klasse |
| Verdikker | Waarmee de olie tot vet is gebonden | Lithiumcomplex, polyureum |
| EP | Additieven voor meer draagvermogen | Vet voor zwaar belaste lagers |
Bij olie is de viscositeitsklasse volgens ISO 3448 het kerngegeven: het getal achter VG is de kinematische viscositeit in mm²/s bij 40 °C, met 10 procent marge naar boven en naar beneden. Op bedrijfstemperatuur is olie meestal veel dunner. Vergelijk viscositeiten daarom altijd bij dezelfde temperatuur: heeft een lager bij 70 °C een bepaalde viscositeit nodig, dan kies je een klasse waarvan de viscositeit bij 40 °C een stuk hoger ligt. Bij vet geeft de NLGI-klasse de stijfheid aan, gemeten als de diepte waarop een kegel bij 25 °C in het vet zakt. Die klasse zegt niets over de viscositeit van de basisolie in het vet, en die is voor het lager net zo belangrijk.
Vetten meng je niet zomaar. Verdikkers, basisoliën en additieven van verschillende vetten kunnen onverenigbaar zijn: het mengsel kan bijvoorbeeld te zacht worden, waardoor het lager warmer gaat lopen. Volgens de NLGI kun je vetten het best helemaal niet mengen, en zijn compatibiliteitstabellen hooguit een ruwe gids. Moet je overstappen, laat dan testen of de vetten verenigbaar zijn.
Beperk daarom het aantal smeermiddelen tot wat echt nodig is. Minder soorten betekent minder kans op verwisseling, minder voorraad en eenvoudiger labels. Consolideer alleen niet ten koste van een specifieke eis, zoals een elektromotor waarvoor de fabrikant een bepaald vet voorschrijft.
Smeermiddelen schoon opslaan en hanteren
Een smeermiddel is zo schoon als de manier waarop je het bewaart. De NLGI geeft voor vet een paar praktische regels: bewaar verpakkingen binnen, uit de zon en weg van warmtebronnen, zet vaten rechtop en nooit liggend, veeg het deksel schoon voordat je het opent en strijk na gebruik het oppervlak glad voordat je de verpakking weer sluit. Volg de houdbaarheid die de fabrikant opgeeft, gerekend vanaf de productiedatum op het etiket, en gebruik de oudste voorraad eerst. Haal de veerdruk van een vetspuit die je opbergt, anders kan er olie uit het vet scheiden.
Geef elke vetspuit één vetsoort en hetzelfde label als de punten waarvoor de spuit bedoeld is. Veeg de smeernippel schoon voor en na het smeren en zet er een dopje op. Vul olie bij met een gesloten, gelabelde kan, niet met een open emmer. Een vaste, gelabelde plek voor smeermiddelen in het magazijn verkleint de kans dat iemand de verkeerde bus pakt; zie locatiecodering in het magazijn.
Stap 3: hoeveelheid en interval bepalen
Begin bij de fabrikant. De handleiding van de machine noemt vaak smeermiddel, hoeveelheid en interval, en bij motoren met nasmeerbare lagers staan vetsoort, hoeveelheid en interval vaak op een plaatje op de motor. Die gegevens gaan voor. Ontbreken ze, dan geeft een veelgebruikte vuistregel uit de catalogi van lagerfabrikanten een startwaarde voor de hoeveelheid per nasmeerbeurt:
Hoeveelheid vet in gram = 0,005 × D × B
Daarin is D de buitendiameter en B de breedte van het lager, beide in millimeters. De regel geldt voor nasmeren vanaf de zijkant van het lager; voer je het vet toe via de smeergroef en smeergaten in de buitenring, dan rekenen lagerfabrikanten met 0,002 × D × B. Voor een lager van 140 mm buitendiameter en 33 mm breed is dat 0,005 × 140 × 33 ≈ 23 g. Weeg eenmalig hoeveel gram één slag van je vetspuit geeft, want dat verschilt per spuit, en zet het aantal slagen in het smeerplan.
Het interval hangt af van toerental en lagergrootte, temperatuur, vervuiling, vocht en trillingen. Lagerfabrikanten rekenen als vuistregel met een halvering van het nasmeerinterval voor elke 15 °C dat een lager warmer draait dan 70 °C. Stof en water vragen om een korter interval: met kleine, frequente beurten pers je vuil naar buiten voordat het in het lager komt.
Te veel vet is net zo schadelijk als te weinig. Een overvol lager gaat het vet karnen: de wrijving neemt toe, het lager wordt warm en het vet veroudert sneller. Blijft de lagertemperatuur na het smeren hoog, dan kan dat op te veel vet wijzen.
Kies bij wisselende bedrijfstijd een interval in draaiuren in plaats van op de kalender. Een transportband die in drukke weken 120 uur draait en in rustige weken 40, krijgt bij een vast maandinterval de ene keer te weinig en de andere keer te veel vet. Zet er wel een kalendergrens naast, omdat vet ook veroudert als de machine stilstaat. Hoe je draaiuren registreert, lees je in draaiuren monitoren met IoT-sensoren; hoe ze automatisch binnenkomen, zie je bij draaiuren en monitoring.
Stap 4: de smeermethode kiezen
| Methode | Geschikt voor | Let op |
|---|---|---|
| Handmatig met vetspuit | Weinig punten, goed bereikbaar | Dosering hangt af van de persoon |
| Automatische smeerpot | Losse, lastig bereikbare punten | Periode juist instellen, werking controleren |
| Centraal smeersysteem | Veel punten dicht bij elkaar | Verstopte of gebroken leiding valt niet op |
| Oliebad of circulatie | Tandwielkasten, grote lagers | Peil, lekkage en olieconditie bewaken |
Handmatig smeren heeft een voordeel dat vaak wordt vergeten: de monteur komt langs en ziet, hoort en voelt hoe de machine erbij staat. Automatiseer je de smering, plan die inspectie dan apart in. Een automatische smeerpot geeft over een ingestelde periode steeds een kleine hoeveelheid af; controleer bij elke ronde of de pot nog werkt en wanneer die leeg is.
Bij olie kies je tussen verversen op een vast interval en verversen op conditie. Met olieanalyse meet je onder meer viscositeit, water, slijtagemetalen en vervuiling, en ververs je pas als de olie dat nodig heeft; smering wordt zo een vorm van conditiegebaseerd onderhoud. Vervuiling met vaste deeltjes druk je uit in de reinheidscode van ISO 4406: drie codegetallen, zoals 18/16/13, die elk een bandbreedte aangeven voor het aantal deeltjes per milliliter van 4, 6 en 14 micrometer en groter. Elk codegetal hoger staat voor ongeveer een verdubbeling van het aantal deeltjes. Ook vet kun je laten analyseren, bijvoorbeeld op water en slijtagemetalen.
Stap 5: smering borgen met rondes, meldingen en rolverdeling
Een smeerplan werkt pas als het wordt uitgevoerd en je kunt zien dát het is uitgevoerd. Zet de smeertaken als rondes in je onderhoudssysteem, per route en per smeermiddel, zodat de monteur met één vetspuit een reeks punten afloopt. Leg per uitvoering vast of de ronde is gedaan of overgeslagen, en wat er opviel.
Vraag bij elke ronde ook om waarnemingen: lekkage, een warm of lawaaierig lager, melkachtig of zwart verkleurd vet, een ontbrekend dopje of label. Melkachtig vet wijst op water. Een brandlucht bij een lager wijst op oververhitting; de NLGI adviseert dan de machine stil te zetten en het lager te controleren. Afwijkingen gaan als melding het werkorderproces in, niet in een notitieboekje.
Spreek af wie wat doet. In TPM hoort basissmering bij het autonoom onderhoud door operators: zij smeren de eenvoudige punten volgens een vaste standaard. Monteurs nemen de motorlagers, de olieverversingen en de punten waarvoor de machine moet worden vrijgeschakeld en vergrendeld. Zet dat per punt in het plan, zodat geen punt twee keer of helemaal niet wordt gesmeerd. Evalueer daarnaast: klopt het vetverbruik met het plan, en hoe vaak gaan er nog lagers stuk?
Voorbeeld: smeerplan opstellen voor de aandrijving van een transportband
Neem de aandrijving van een transportband in een bulkoverslag, met wisselende draaitijden: een elektromotor, een elastische koppeling, een tandwielkast en een aandrijftrommel met twee staande lagerblokken. In het schema hieronder zie je de vijf smeerpunten; kleur en vorm geven het smeermiddel aan.
| Smeerpunt | Smeermiddel | Hoeveelheid | Interval |
|---|---|---|---|
| 1 Motorlager A-zijde | Vet B, motorvet NLGI 2 | 20 g | 4.000 draaiuren of 1 jaar |
| 2 Motorlager B-zijde | Vet B, motorvet NLGI 2 | 12 g | 4.000 draaiuren of 1 jaar |
| 3 Tandwielkast | Olie C, ISO VG 220 | 12 l | Peil wekelijks; verversen na 10.000 draaiuren of 2 jaar |
| 4 Trommellager aandrijfzijde | Vet A, lagervet NLGI 2 EP | 23 g | 1.000 draaiuren of 3 maanden |
| 5 Trommellager vrije zijde | Vet A, lagervet NLGI 2 EP | 23 g | 1.000 draaiuren of 3 maanden |
De motor heeft een eigen vet en eigen hoeveelheden, overgenomen van het plaatje op de motor. Daardoor staan er in dit plan twee vetten, en precies daarom is de kleurcode nodig: vet A heeft een lithiumcomplexverdikker en vet B een polyureumverdikker, en ze horen niet in elkaars lagers. De trommellagers worden vanaf de zijkant nagesmeerd, dus de hoeveelheid volgt uit de vuistregel: 140 mm buitendiameter, 33 mm breed, 23 g. De koppeling is elastisch en krijgt geen smering; het rubber element valt onder de inspectieronde. De intervallen staan in draaiuren, omdat de band in drukke weken drie keer zo lang draait als in rustige, met een kalendergrens als vangnet. Alle waarden zijn voorbeelden: neem voor je eigen installatie de gegevens van de fabrikant over.
Veelgemaakte fouten in een smeerplan
- Vetten mengen. Eén vetspuit voor alles, of bijvullen met wat er toevallig staat.
- Te veel vet. Meer is niet beter: een overvol lager loopt warm.
- Vuil meeperssen. Een vuile smeernippel of een open vetbus brengt vuil precies daar waar het schade doet.
- Een kalenderinterval bij wisselend gebruik. Het interval hoort het gebruik te volgen, niet de maand.
- Onduidelijke rolverdeling. Operator en monteur denken allebei dat de ander het doet.
- Smeerpotten plaatsen en vergeten. Een lege of geblokkeerde automatische smeerpot geeft zelf geen signaal; neem de pot op in de ronde.
Veelgestelde vragen
Wat is het verschil tussen een smeerplan en een smeerschema?
Een smeerschema is meestal het overzicht van de fabrikant voor één machine: een tekening of tabel met de smeerpunten, het smeermiddel en het interval. Een smeerplan is je eigen uitwerking voor de hele installatie of fabriek, met alle smeerpunten van alle machines, hoeveelheden in slagen, routes, wie wat doet, labels en de koppeling met de voorraad. Het smeerschema van de fabrikant is dus een van de bronnen voor het smeerplan.
Mag je smeren terwijl de machine draait?
Alleen als je daarbij niet bij bewegende delen kunt komen. De arboregels gaan uit van onderhoud aan een stilstaande, energievrije machine, tenzij je andere doeltreffende maatregelen neemt. Sommige fabrikanten schrijven juist voor dat je een lager draaiend nasmeert, zodat het vet zich verdeelt en het overschot via de vetuitlaat weg kan. Dat kan veilig met een smeerpunt buiten de afscherming, via een verlengde leiding of een smeerblok, of met automatische smering.
Wat doe je als je niet weet welk vet er in een lager zit?
Spoel het oude vet eruit met het nieuwe. De NLGI adviseert om met het vervangende vet door te smeren tot meer dan 90 procent van het oude vet is verdrongen, het lager daarna te volgen op tekenen van onverenigbaarheid, zoals vet dat te zacht wordt of een lager dat warmer loopt, en het nasmeerinterval tijdelijk te verkorten. Leg daarna vast welk vet erin zit en label het punt.
Hoe lang is smeervet houdbaar?
Dat verschilt per product: volg de houdbaarheid die de fabrikant opgeeft, gerekend vanaf de productiedatum op het etiket. Slechte opslag verkort die termijn. Warmte en zonlicht versnellen het uitscheiden van olie, en vaten die buiten staan, kunnen vuil en water binnenkrijgen. Staat er olie op het vet of zit er vuil in de bus, vraag de leverancier dan of het nog bruikbaar is. Vet dat al in een machine heeft gezeten, gebruik je nooit opnieuw.
Wat betekent EP bij smeervet?
EP staat voor extreme pressure: het vet bevat additieven die het draagvermogen verhogen. Zo'n vet is bedoeld voor zware belasting, stootbelasting, hoge belasting bij hogere snelheden en trillingen, zoals in bouw- en mijnbouwmachines en zwaar belaste industriële machines. Of een lager EP nodig heeft, hangt af van de belasting; volg ook hier het voorschrift van de fabrikant van de machine of het lager.
