KKS-codering is het eenduidig benoemen van alle systemen, apparatuur en onderdelen van een energiecentrale volgens het Kraftwerk-Kennzeichensystem (KKS), het identificatiesysteem van de Duitse vereniging vgbe energy, tot 2022 bekend als VGB PowerTech. Een KKS-code van hooguit 17 letters en cijfers zegt in een vaste volgorde om welk blok, welk systeem, welke uitrustingseenheid en welk onderdeel het gaat. Omdat werktuigbouw, elektrotechniek, instrumentatie en bouwkunde dezelfde code gebruiken, vind je één pomp terug op de P&ID, in de besturing, op het label in het veld en in het onderhoudssysteem.
Wat KKS is en waar je het tegenkomt
KKS is in de jaren zeventig ontwikkeld door de vereniging van Duitse centrale-exploitanten en wordt sinds het midden van dat decennium wereldwijd gebruikt om centrales te coderen. De huidige richtlijn met sleuteldeel is de achtste editie uit 2018 (VGB-S-811-01), aangevuld met toepassingsuitleg in VGB-B 106. Het systeem is bedoeld voor alle soorten centrales, van kolen en gas tot waterkracht. Ook in afvalenergiecentrales kom je KKS-codes tegen; de functiesleutel heeft bijvoorbeeld een eigen code voor roosterverbranding. Een overzicht van de documenten, de licenties en de opvolger RDS-PP geeft vgbe op de pagina over haar identificatiesystemen.
De richtlijnen gaan uit van een paar principes die je in elke code terugziet:
- één manier van coderen voor alle typen centrales en de processen die erop aansluiten;
- genoeg ruimte om elk systeem en onderdeel te coderen, ook bij nieuwe technieken;
- één code voor alle disciplines, met aparte codes voor functie, montageplaats en locatie;
- taalonafhankelijk, zodat een code in elk land hetzelfde betekent.
Wat KKS níet regelt, is net zo belangrijk. De richtlijnen zeggen niets over hoe je labels maakt, hoe je KKS combineert met een andere codering of hoe je omschrijvingen afkort. Dat hoort in je eigen codeerhandboek.
Drie soorten KKS-codes
KKS kent drie soorten codes, die je samen of los kunt gebruiken. Een voorteken laat zien welke soort je voor je hebt.
| Soort code | Voorteken | Wat je ermee codeert | Voorbeelden |
|---|---|---|---|
| Procesgerelateerd | = | Systemen en uitrusting naar hun functie in het proces | Pomp, afsluiter, meting, motor |
| Montageplaats | + | Plek van elektro- en instrumentatiecomponenten in kasten en panelen | Zekering of klemmenstrook in een kast |
| Locatie | + | Gebouwen, verdiepingen, ruimten en brandcompartimenten | Ketelhuis, verdieping, ruimte |
Het voorteken mag je weglaten als de code ook zonder voorteken eenduidig is. Bij de montageplaatscode staat tussen niveau 1 en 2 altijd een punt. Voor onderhoud is de procesgerelateerde code de belangrijkste: die staat op de P&ID, op de werkorder en op het label bij de pomp. De rest van dit artikel gaat daarover.
De opbouw van een KKS-code in vier niveaus
Een procesgerelateerde KKS-code bestaat uit vier niveaus, die van links naar rechts steeds kleinere delen aanwijzen. Elk teken heeft een vaste plek. Letters classificeren, cijfers tellen.
| Niveau | Naam | Tekens | Formaat |
|---|---|---|---|
| 0 | Totale installatie | G | 1 letter of cijfer |
| 1 | Systeemcode | F0 F1 F2 F3 FN | (cijfer) + 3 letters + 2 cijfers |
| 2 | Uitrustingseenheid | A1 A2 AN A3 | 2 letters + 3 cijfers (+ letter) |
| 3 | Component | B1 B2 BN | 2 tekens + 2 cijfers |
Niveau 0: de totale installatie
Het eerste teken (G) staat voor de installatie als geheel, meestal het blok van de centrale. Codeerhandboeken gebruiken daarbij soms 0 voor installatiedelen die alle blokken gemeenschappelijk hebben.
Niveau 1: de systeemcode
De drie letters F1, F2 en F3 komen uit de functiesleutel van KKS. De eerste letter is de hoofdgroep, de volgende twee verfijnen die stap voor stap. De twee cijfers erachter (FN) nummeren systemen of systeemdelen, meestal in de stroomrichting van het medium; sommige installaties tellen in tientallen (10, 20, 30), zodat er ruimte blijft voor uitbreiding. Een optioneel voorloopcijfer (F0) onderscheidt gelijke systemen, bijvoorbeeld twee identieke water-stoomkringen.
| Letter | Hoofdgroep | Voorbeeld uit de functiesleutel |
|---|---|---|
| B | Energieafvoer en eigenbedrijfsvoorziening | BAT bloktransformator |
| E | Brandstofvoorziening en afvoer van reststoffen | ET as- en slakkenafvoer |
| H | Conventionele warmteopwekking | HHC roosterverbranding |
| L | Stoom-, water- en gascyclus | LAC voedingswaterpompinstallatie |
| M | Hoofdmachines | MAA hogedrukturbine |
| P | Koelwatersystemen | PAC hoofdkoelwaterpompinstallatie |
| U | Bouwwerken | UHA ketelhuis |
Andere hoofdgroepen zijn onder meer A (netten en distributie), C (besturing en instrumentatie), G (watervoorziening en -afvoer) en W (installaties voor hernieuwbare energie). Niet elke letter is in gebruik: sommige houdt vgbe vrij voor later.
Niveau 2: de uitrustingseenheid
Twee letters uit de sleutel voor uitrustingseenheden geven aan wat voor eenheid het is, drie cijfers (AN) tellen gelijke eenheden binnen het systeem. De eerste letter is de groep: A voor mechanische uitrusting zoals pompen, ventilatoren en afsluiters, B voor apparaten zoals tanks en leidingen, C voor directe meetkringen, D voor regelkringen en G voor elektrische uitrusting. Voorbeelden zijn AA (afsluiter inclusief aandrijving), AN (compressor- of ventilatoreenheid), AP (pompeenheid), BB (tank of vat), CP (drukmeting) en CT (temperatuurmeting). Een optionele extra letter (A3) maakt nog een onderscheid, bijvoorbeeld tussen twee aandrijvingen van één transportband.
Metingen zijn in KKS dus ook uitrustingseenheden. Waar een tekening volgens ISA-5.1 een TT laat zien, heet de temperatuurmeting in een KKS-installatie bijvoorbeeld CT002, met de voeler en de dompelhuls als componenten eronder. Bij afsluiters zegt het nummer vaak ook iets: het sleuteldeel en veel codeerhandboeken reserveren nummerreeksen per soort afsluiter, bijvoorbeeld voor aftappen. Welke reeksen gelden, staat in het handboek van je installatie.
Niveau 3: de component
Het laatste niveau splitst een uitrustingseenheid in losse onderdelen. Twee cijfers (BN) tellen de componenten; de tekens B1 en B2 ervoor komen uit de componentsleutel:
- een streepje met een letter voor elektrische componenten, zoals -M voor een elektromotor;
- K voor mechanische componenten in het proces, zoals KA voor een afsluiter of klep en KP voor een pomp;
- M voor mechanische hulpcomponenten, zoals MK voor een koppeling;
- Q voor niet-elektrische instrumentatie, zoals QT voor een dompelhuls;
- X, Y en Z voor signalen.
Hoe diep je codeert, legt het codeerhandboek vast: de ene opdrachtgever eist elk onderdeel tot niveau 3, de andere gebruikt niveau 3 alleen waar dat onderscheid nodig is.
Een KKS-code ontleed: de voedingswaterpomp
In het schema hieronder is de code 1 LAC10 AP001 KP01 uit elkaar gehaald.
- 1 is blok 1 van de centrale.
- LAC10 is het systeem. L staat voor de stoom-, water- en gascyclus, LA voor het voedingswatersysteem en LAC voor de voedingswaterpompinstallatie. Het getal 10 nummert die installatie; telt de centrale in tientallen, dan heet een tweede pompinstallatie bijvoorbeeld LAC20.
- AP001 is de uitrustingseenheid: AP is een pompeenheid, de pomp met aandrijving en toebehoren als geheel, en 001 is de eerste in dit systeem.
- KP01 is de component: de pomp zelf.
Binnen dezelfde pompeenheid krijgt de elektromotor de code 1 LAC10 AP001 -M01 en de koppeling 1 LAC10 AP001 MK01. Pomp, motor en koppeling hebben zo elk een eigen code en een eigen onderhoudshistorie, en blijven toch herkenbaar als één pompeenheid. Heeft de centrale twee identieke water-stoomkringen, dan komt het voorloopcijfer F0 voor de systeemcode: 1 1LAC10 AP001 KP01 in de eerste kring en 1 2LAC10 AP001 KP01 in de tweede.
Notatie en valkuilen bij KKS-codes
- Spaties tussen de niveaus. In KKS staat tussen de niveaus een spatie, zodat je de code niet verkeerd leest. In tekeningen en besturingssystemen staat dezelfde code ook vaak aan elkaar. Voor een monteur maakt dat weinig uit, voor zoeken en koppelen wel. Leg één schrijfwijze vast en zorg dat je systemen beide varianten herkennen. Hoe het herkennen van codes op tekeningen werkt, zie je bij technisch documentbeheer.
- Geen I en O. De VGB-richtlijnen sluiten de letters I en O uit. Staat er toch een I of O in een code, dan is het vrijwel altijd een 1 of 0 die verkeerd is overgetypt of door tekstherkenning verkeerd is gelezen.
- Nummers achteraf veranderen. Ligt de nummering eenmaal vast, verander haar dan niet meer. Elke wijziging raakt tekeningen, labels, besturing en historie tegelijk.
- Eigen varianten per aannemer. Veel opdrachtgevers hebben een codeerhandboek met eigen afspraken, zoals F0 altijd invullen (0LAC10). Dat is prima zolang het vastligt. Het wordt een probleem als elke aannemer met een eigen interpretatie komt.
- Tekening en register lopen uiteen. Na een wijziging staat de nieuwe code wel op de P&ID maar niet in het onderhoudssysteem, of andersom. Werk ze altijd samen bij.
KKS en RDS-PP: de opvolger
RDS-PP (Reference Designation System for Power Plants) is het systeem dat vgbe ziet als de doorontwikkeling van KKS. Het bouwt voort op de internationale normreeks IEC 81346 voor referentieaanduidingen. Voor energievoorziening is er een apart deel, ISO 81346-10, dat sinds 2022 als volwaardige norm de technische specificatie uit 2015 vervangt. RDS-PP werkt objectgericht met aparte aspecten voor functie (=), product (-) en locatie (+), en is mede ontwikkeld met het oog op nieuwere technieken zoals wind- en zonne-energie. Volgens vgbe is ongeveer 90 procent van de letters uit de KKS-functiesleutel overgenomen in de systeemsleutel van RDS-PP, dus wie KKS kent, herkent veel terug.
Toch blijven veel bestaande centrales bij KKS. Overstappen betekent dat je tekeningen, labels, besturing en onderhoudssysteem opnieuw codeert, terwijl KKS gewoon wordt onderhouden: de achtste editie is van 2018 en vgbe geeft nog wijzigingsbladen uit. Voor een bestaande installatie weegt de winst daarom vaak niet op tegen de kosten en het risico op fouten. Bij een grote uitbreiding of een nieuw wind- of zonnepark is RDS-PP wel een reële keuze.
KKS-codering toepassen in je eigen installatie
Codeer je een bestaande installatie of een uitbreiding, dan helpt deze volgorde:
- Leg het codeerhandboek vast. Welke editie van de richtlijn je volgt, welke eigen afspraken gelden, welke schrijfwijze, tot welk niveau je codeert en hoe labels eruitzien.
- Begin op de P&ID's. Bepaal per tekening de systemen en hun grenzen en geef ze een systeemcode. Een actuele P&ID is daarvoor de basis.
- Codeer uitrustingseenheden en componenten tot het afgesproken niveau, in de stroomrichting.
- Controleer in het veld en label. De Britse toezichthouder HSE adviseert in de richtlijn voor veilig isoleren (HSG253) een schema waarmee je alle installatiedelen, leidingen en afsluiters uniek identificeert, met dezelfde codes op de P&ID's en duurzame labels op belangrijke onderdelen. KKS is precies zo'n schema.
- Zet de codes als positie in het assetregister, met het fysieke exemplaar en het serienummer eronder. Hoe je dat opzet, lees je in assetregister opzetten; hoe posities en assets in een boomstructuur samenkomen, zie je bij software voor assetbeheer. Voer je een nieuw onderhoudssysteem in, dan is dat een goed moment om de codes in het register op te schonen en gelijk te trekken met tekeningen en labels.
- Koppel tekeningen en documenten aan de codes, zodat je vanuit een asset de juiste tekening vindt. Meer daarover in technische documentatie beheren.
- Borg het beheer. Eén beheerder geeft nieuwe codes uit, bij elke wijziging worden tekening, label en register tegelijk bijgewerkt en aannemers krijgen het handboek vóór de start van hun werk.
KKS zegt welk object het is. Wat er aan dat object misging, leg je vast met storingscodes; samen maken ze storingen per object vergelijkbaar.
Veelgestelde vragen
Kun je KKS ook buiten energiecentrales gebruiken?
Ja, de principes zijn breder bruikbaar. Afvalenergiecentrales hebben een ketel en een water-stoomcyclus zoals een elektriciteitscentrale, en ook daar kom je KKS-codes tegen. Voor andere sectoren zijn afgeleide systemen ontwikkeld, bijvoorbeeld voor aluminiumsmelterijen. Voor een fabriek zonder ketel ligt de internationale IEC 81346-reeks vaak meer voor de hand, omdat die niet voor één sector is gemaakt.
Wat is het verschil tussen een KKS-code en een instrumenttag volgens ISA-5.1?
Een ISA-tag zoals LIC-101 benoemt een instrumentfunctie binnen een meet- of regelkring. Een KKS-code benoemt elk object in de installatie in een vaste hiërarchie, van blok en systeem tot onderdeel. Een meting is in KKS een uitrustingseenheid, bijvoorbeeld CT voor een temperatuurmeting, met de voeler en de dompelhuls als componenten. Op P&ID's van centrales die KKS gebruiken, zie je daarom KKS-codes waar een chemische fabriek ISA-tags gebruikt.
Hoe lang is een KKS-code?
Hooguit 17 letters en cijfers. De voorbeeldcode 1 LAC10 AP001 KP01 telt er 15, zonder de spaties. Met een voorloopcijfer voor gelijke systemen en een extra letter op niveau 2 kom je op 17. Niet elke code is volledig: voor een systeem als geheel stop je na niveau 1, voor een pompeenheid na niveau 2.
Welke documenten heb je nodig om KKS toe te passen?
De basis is de KKS-richtlijn met sleuteldeel, VGB-S-811-01 (achtste editie, 2018), verkrijgbaar in het Duits en het Engels. Daarin staan de regels en de sleutels voor systemen, uitrustingseenheden en componenten. De toepassingsuitleg in VGB-B 106 laat per vakgebied zien hoe je de regels gebruikt, en voor waterkracht is er een apart deel. Begin je net, dan geeft het gratis KKS-pocketbook van vgbe een overzicht.
